vrijdag 27 januari 2017

Verdwenen treurnis

Mariniersespel 2004
De Mariniersespel is verdwenen. De oude pleintjes in de Vrijheidswijk zijn gesloopt. Er zijn dure koopwoningen voor in de plaats gekomen. Ik fiets er nog wel eens langs als ik groenten ga kopen in de dorpstuin van Snakkerburen. Wat me opvalt is dat de nieuwbouw die ervoor in de plaats gekomen is, er net zo treurig uitziet als de verdwenen huizen van de Mariniersespel. Ik woonde er in een ruime eengezinswoning. Het was een donker huis. Somber. Soms dacht ik dat er een entiteit in het huis zat. Voorwerpen veranderde van plaats. Als ik voor het slapen, een bepaald doosje op een plek neerlegde, lag het de volgende dag ergens anders. Soms hoorde ik ‘s nacht geschuif van meubels. Als ik dan naar beneden ging om te kijken, bleek alles gewoon op zijn plaats te staan. In mijn huiskamer hing dan een alles verpletterend stilte. Ik raakte ervan overtuigd dat er ooit een moord gepleegd was. Misschien wel meerderen. Het huis had een tuin met kleiachtige grond met veel kiezels en stenen. De Vrijheidswijk is waarschijnlijk de meest multi-culturele wijk van Leeuwarden. Naast me woonde een Vietnamees gezin. Een vader, moeder en een beeld schone dochter. Haar lach kon van een donkere dag een stralende maken. De moeder reed op een kinderfietsje. Dit om een indruk te geven van het formaat van mijn buren. Het gezin voorzag in het onderhoud door middel van een loempiakarretje dat achter het huis geparkeerd stond. De loempiaatjes werden in de keuken gefabriceerd. Soms als ik even door de tuin liep kreeg ik er een aangeboden en stond het gezin trots te stralen als ik de lekkernij opat en kenbaar maakte hoe lekker ik het wel vond. Soms kwam er Vietnamese muziek door de muur. Naar het leek waren daar vaste tijden voor en het duurde nooit lang. Treurige en weemoedige muziek, die iets weg had van een ceremonie. Het maakte het er niet vrolijker op.
Mariniersespel 2004
De buurman of vrouw aan de andere kant heb ik nooit gezien. Door de spaarzame geluiden die ik door de muur hoorde constateerde ik aanwezigheid in het huis naast me. Om mij onduidelijke reden noemde ik de persoon aan de andere kant van de muur, ‘de heks’. De geluiden die doordrongen kwamen vanuit de grote ouder slaapkamer aan de straatkant. Een enkele keer klonk het geluid van een elektrische piano. Er werd een deuntje gespeeld dat gedurende 10 minuten herhaald en herhaald werd. Dan werd het weer stil. In een poging iets meer van de heks te weten te komen heb ik een keer door de struiken in de huiskamer naast me gegluurd. Het was een huiskamer met weinig meubels. Op de vloer lagen Perzische tapijten. Ook aan de muren hingen Oosters aandoende doeken en afbeeldingen. Midden in de kamer stond een tafel met daarop een groot schaakbord met een afgebroken partij erop. Pas later begreep ik dat er iemand ziek lag te zijn naast me. De dame die ik dagelijks op de fiets langs zag komen was een wijkverpleegster en een enkele keer zag ik een ambulance een grote zuurstoffles brengen. Er vonden dus geen bovenaardse rituelen plaats. Dat viel een beetje tegen. Maar er gebeurde meer wonderlijke zaken op de Mariniersespel. Zo trof ik op een ochtend een schoppenaas aan op de bodem van mijn huisvuilcontainer die aan de straatkant voor de deur stond. Aanvankelijk schonk ik er geen aandacht aan. Maar toen ik er over na ging denken concludeerde ik dat het niet klopte. Ik had de speelkaart er niet zelf in gegooid. Ik had geen speelkaarten in huis. Later wist een vriend me uit te leggen dat het een waarschuwing was. ‘Je moet oppassen als hij met een mes in je voordeur zit’. Wist hij nog te melden. Ik zat nu met de vraag uit welke hoek de speelkaart kwam. Twee huizen verder woonde een Indonesische familie. Waarmee ik geen contact had. Daarnaast een alleenstaande Oosterse man. Naar zeggen van de Nederlandse buurvrouw van de overkant, zou het een fakir zijn. De man stak messen en ander keukengerei door zijn tong en en lag regelmatig op een plank met spijkers. De speelkaart had zonder twijfel met de fakir te maken, maar bewijzen ervoor had ik niet.
De Mariniersespel lag vlak aan de Dokkumer Ee. Bij Snakkerburen en Lekkum. Dat was een prettige bijkomstigheid. Bijna dagelijks wandelde ik langs de oevers. Even weg uit de deprimerende wijk. De Mariniersespel bestaat niet meer en het zou beter geweest als hij nooit gebouwd was.
Dokkumer Ee

dinsdag 8 november 2016

Kattenbelasting

Toen ik laatst thuis kwam, rook ik een penetrante poeplucht. ‘Ja hoor’, dacht ik en keek naar mijn schoenen. Een bruine rand kwam onder de zool van mijn rechter schoen uit. Bingo. Ik had in de hondenstront gestaan. Nu zie je de laatste tijd niet zoveel hondenpoep meer op straat. Mensen worden op straffe van een boete gedwongen zo genoemde hondenuitlaatplaatsen te gebruiken, er zijn hondenpoepbakken, schepjes, zakjes, drollengrijpertjes en drollenharkjes. Vroeger zag je hondendrollen op straat liggen, tegenwoordig ook maar nu zitten ze meestal in een plastic zakje. De tijden veranderen. Het gaat als volgt te werk. De hond poept. Het baasje stroopt het zakje binnenste buiten over zijn hand en pakt het uitwerpsel en stroopt het zakje van zijn hand, zodat de drol verpakt wordt. Hele verbetering. Vooralsnog had ik kennelijk niet in een verpakte drol gestaan. Nu heb ik vroeger honden gehad. Er was toen nog geen sprake van zakjes, bakjes of grijpertjes. Je hond kon nog naturel het trottoir bevuilen. Maar het was wel de bedoeling dat honden in de goot hun behoefte deden.
Drol van Wim T. Schippers in het Bos van Epey

Toen ik een jaar of 18 was, heb ik een hond uit het asiel gehaald. Een bastaard stond in het hondenpaspoort dat met het dier mee geleverd werd. Het was een klein vrouwtje met de tekening van een herder en met de sik van een terriër. Het was een onafscheidelijk kameraadje die geen moment van je zijde week. Een lief beest en ik noemde haar Lucy. In die tijd vernoemden ik mijn huisdieren naar verloren liefdes. Lucy was een meisje uit mijn klas. Kort blond haar en een slank, jongensachtig figuurtje. In een portiek in de 2de Boerhavestraat begonnen we aan een wankele relatie. Lucy was beeldschoon en tegen de tijd dat ik er achter kwam dat ik tot over mijn oren verliefd op haar was, maakte zij het uit.
De tweede hond was een dochter van Lucy. Het was een klein bijna zwart beestje. Het enige dat aan haar moeder deed denken was de terriërachtige sik. Haar aanhankelijkheid was mogelijk groter dan die van haar moeder. Ik noemde haar naar mijn tweede dramatische verlopen liefde, Jitka. Jitka kwam uit Tsjecho-Slowakije. De relatie is nooit veel verder gekomen dan wat gehannes in een parkje. Ze moest weer terug naar Tsjecho-Slowakije. Mij in verbijstering en diepe wanhoop achterlatend. Na een periode van theatrale en diepe rouw bleef nu slechts een ding over. Een hond. Ik zou vanaf nu alleen en eenzaam mijn pad vervolgen en daar hoorde een hond bij. Een hond heeft verschillende voordelen. Een hond breekt je hart niet en is goedkoper in onderhoud dan een vrouwspersoon. Minder veeleisend. Je kunt praten tegen een hond tot je een ons weegt, het beest praat niet terug. Een hond kwispelt alleen met zijn of haar staart. Maar er staan wel wat verplichtingen tegenover. Het uitlaten bijvoorbeeld. Als je op een koude winterochtend net wakker bent en eruit moet omdat de hond op knappen staat.
Of de hondenbelasting. Ook zoiets. Zolang ik honden had, heb ik overijverige belastingambtenaren achter me aan gehad. Een voormalig collega van me had drie kleine hondjes. Zo genoemde kuttelikkertjes. Zij vond het vooral onrechtvaardig dat bijvoorbeeld een Deense dog net zoveel belasting moet betalen als haar dwerg Pekinees. Daar had ze een punt. De Pekinees doet een jaar over wat de Dog op een dag uitpoept. Misschien dat ze honden kunnen uitrusten met een chip. Net zoals bij de vuilcontainers. Een poepchip om de hoeveelheid ontlasting te meten. Van tijd tot tijd boert ook het bericht op dat de gemeente Leeuwarden, kattenbelasting gaat heffen. 

Dat was ook iets wat mijn collega van de kuttelikkertjes onrechtvaardig vond. Over een poes wordt geen belasting geheven. Nu moet ik altijd lachen om dit soort berichten. Mijn pluisgenoot is meer buiten dan binnen. Net als de katten van de buren. Hoe zou de belastingambtenaar dat willen controleren. Kattenbakken zoeken? Katten blaffen ook niet als de kattenbakkencontroleur aanbelt. Gelukkig niet.
     





zondag 11 september 2016

De afgevroren teen van Blije

Omdat ik vernomen had dat de lokale kroeg in Blije een potje met een afgevroren teen op sterk water zou hebben, leek het me de moeite waard het dorp met een bezoek te vereren. De teen was afgevroren tijdens de Elfstedentocht van 1963. Een historische teen dus. Reden dus om via de Ee naar Birdaard te fietsen en vandaar naar Blije. Mooie tocht. Wel een heel end. Vooral omdat ik voornemens had na het bezoek aan de horecagelegenheid de tocht voort te zetten richting het Bildt. In de kroeg was niemand. Maar het was al een klein wonder dat hij open was. Het bleek een authentiek Friese kroeg. Zoals je niet veel meer ziet. Er was geen bar en geen barkrukken, maar in een hoek stond een tafeltje met daarop de bierpomp. Onder het tafeltje stond het vat. Aan de muur hingen wat planken met flessen sterke drank. Geen teen. Na even om me heen te hebben gekeken, kwam de barman binnen. Schonk zonder iets te vragen een groot glas bier voor me in. Voorzichtig informeerde ik naar de teen. Het was tenslotte het doel van mijn fietstocht. De barman antwoordde niet en keek peinzend naar de knop van de bierpomp. Na geruime tijd stilte haalde hij een potje uit een kast en hield het voor mijn neus. “It is de tean fan Syb Kluifstra”, zei hij somber. In het potje zat een gelige, troebele vloeistof. Met enige moeite kon ik een donker hompje zien drijven met iets wat op een teennagel leek. Ik mocht er geen foto van maken. “As it Alvestêdetocht museum der efter komt, gean hja der om seure”, legde de barman uit. Snel borg hij de macabere relikwie weer op. Maar mijn fietstocht was niet voor niets geweest, alhoewel ik geen foto had.
“Ik ha ek in sok fan Reinier Paping”, ging de barman verder. ”. Ik begreep dat ik op het spoor was van een belangrijke historische ontdekking. Zou geweldig zijn als ik een foto van de sok van Reinier Paping kon maken. Maar het Elfstedentocht museum zou wel weer dwars liggen. Om de sok te zien mocht ik in de huiskamer achter het café. Er zat een stok oud wijfie iets te doen dat op breien leek. De huiskamer rook of als er drie eeuwen spruitjes waren gekookt. Uit een la van een kast haalde de barman een doos waar hij een grote geitenwollen sok uit haalde. Rafelig en met minstens drie knollen van gaten. “Út 1963", zei hij eerbiedig of hij het 8ste wereld wonder in zijn hand hield. “Ik ha ek de krante dy Paping yn syn klean drûch”. Ik stond perplext een dergelijke historische verzameling was meer dan ik had verwacht. In 1963 was er nog geen sprake van thermische schaatspakken of isolerend ondergoed. Schaatsers stopten daarom kranten onder hun kleding. Paping moet in 1963 in ieder geval goed in de kranten gezeten hebben want de barman haalde een forse stapel vergeelde en verfrommelde Leeuwarder Couranten uit een kast. Triomfantelijk wees hij op de datum. 16 januari 1963. Twee dagen voor de barre tocht.
Uiteraard mocht ik weer niet fotografen. Maar de barman was zeer vereerd en blij met mijn belangstelling. Ik mocht een afgescheurd hoekje van een van de kranten hebben. Ook voor de pils hoefde ik niet te betalen. Ook gaf hij me het adres van ene Braaksma uit Wierum. Braaksma zou ondergoed van verschillende schaatsers hebben en mogelijk ook een teen in een potje. Maar dat was wat uit de buurt en ik besloot een andere keer naar Wierum te fietsen. Dol gelukkig met mijn aanwinst fietste ik naar huis. Misschien kon ik er een goede prijs voor krijgen op de internetveiling. Maar dan had je een certificaat van echtheid nodig. Dan moest ik de handtekening van Reinier Paping hebben. Het zelfde probleem had ik met het plankje van het oorspronkelijke wereldberoemde brugje bij Bartlehiem. Het betreft een plankje die ik ooit meegenomen heb toen het brugje werd gerestaureerd. Maar dat neemt niet weg dat het een uniek stuk is, dat alleen maar unieker wordt, want een Elfstedentocht valt niet te verwachten. Palmbomen aan de oevers van de Ee zijn waarschijnlijker. Eenmaal thuis borg ik het oude stukje krant zorgvuldig op. Als ik nu nog een stukje van de onderbroek uit Wierum kon krijgen of mogelijk zelfs een afgevroren teen, dan begin ik een Elfstedentocht museum.

zaterdag 13 augustus 2016

Nog even over breien

Vorige winter kreeg van een vriendin een zelf gebreide das. De das was met grote houten breinaalden gemaakt van felgekleurde wol. Ik deed of ik er erg blij mee was, maar stopte het schreeuwerige cadeau toen ik thuis was, diep weg in een kast. De neiging om het ding weg te gooien wist ik maar net te onderdrukken. Niet zo zeer vanwege de felle kleuren maar omdat ik vanaf mijn vroegste jeugd slechte ervaringen heb met bepaalde vormen van handnijverheid. Met name het breien. In de familie waar ik uit kom werd bijna door de meeste vrouwelijke leden enthousiast gebreid. Er werden breipatronen en ideeën uitgewisseld en overgebleven bollen wol geruild. Omdat al deze huisvlijt een product moest opleveren, lag een wollen trui voor mijn persoon voor de hand. Ik was nog niet zo groot en de winters waren nog winters. Meerdere dikke truien waren noodzakelijk. Dat stond vast.
Ook producten als mutsen, handschoen, sokken en dassen werden volop vervaardigd. Mijn jongensgarderobe bestond voornamelijk uit wollen kledingstukken van uiteenlopende aard. Ik liep rond als een zuurstok. Zelfs mijn sokken waren in de toen gangbare motieven en kleuren gebreid. Kabelmotieven en vooral Noorse en Scandinavische motieven waren populair. Een gebreide trui heeft een voorpand en een achterpand. Deze moesten gepast worden. Hierbij deed ik uiteraard dienst als paspop. Erger was het als een van de panden niet beviel of als er een fout ingeslopen was. De trui moest dan uitgenomen worden. Weer terug gebracht worden tot de bol. Zogezegd. Ik moest dan met mijn armen vooruit gaan zitten terwijl mijn moeder de draad er omheen wikkelde. Ik zie het nog voor me. Op mijn klachten dat de truien jeukte werd geen gehoor gegeven. Eigenlijk wilde ik liever een zwarte koltrui  Deze waren populair. Maar de breiwoede had de hele familie in zijn greep.
Er werd gebreid tot de stukken er af vlogen. Gelukkig was ik niet de enige die vanonder tot boven vol met de Scandinavische motieven rond liep. Een tante was gespecialiseerd in de Schotse ruit. Haar kinderen waren geheel geblokt. Een ander breide weer alleen kabelsteken en schipperstruien. Het vervelende was dat al die tantes kennelijk in de veronderstelling verkeerden dat ik een gebrek aan lekkere warme truien had. Terwijl mijn klerenkast er uit zag als een Noorse kledingwinkel. Ook werd er gehaakt. Vooral pannenlappen. En ook borduren was populair. Overal in huis verschenen kussentjes met een geborduurde afbeelding. Meestal iets met bloemen. Ook op tafelkleden verschenen borduursels. Een buurvrouw begon spontaan de Nachtwacht op een tafelkleed te borduren. Of het ding ooit afgekomen weet ik niet. Misschien leuk voor het Fries Museum. Een borduurwerkjestentoonstelling.

dinsdag 28 juni 2016

Culturele Breistad van Europa 2018

Soms vraag ik me wel eens af of Leeuwarden wel zo geschikt is om de Culturele Hoofdstad van Europa in 2018 te worden. Nu is cultuur een breed begrip. Maar ik kan me nog steeds goed herinneren dat Leeuwarden in een herenakkoord met Groningen het Frysk Orkest en twee hogescholen op kunst gebied inruilde voor Het Agrarisch 'van Hall instituut'. Kunst werd de stad uitgegooid. Koeien waren belangrijker. Terecht, misschien? Maar het blijft een merkwaardige keuze. En dan nu doen of we zo ontzettend cultureel zijn is gezien de geschiedenis een beetje misplaatst. Voor de gemiddelde Fries is de hoogst denkbare culturele uiting, de jaarlijkse dorpskermis. Het geringe gevoel voor cultuur wordt het meest zichtbaar in het nieuwe Fries Museum. 
Het cultureel erfgoed in gruwelijke nieuwbouw. De Hindelooper stijlkamers in een blok beton. Het diepe wantrouwen dat ik al had, gezien de inrichting van het oude Fries Museum werd bewaarheid. Het oude museum had nog iets authentieks. Zo kan ik me herinneren dat ik bij een bezoek plotseling in de fietsenstalling stond. Een mede museumbezoeker stond geïnteresseerd naar de tweewielers te kijken, al betrof het waardevolle museumstukken. Ook de schoonmaakkast heb ik van binnen gezien. Die stond open. Aan weerskanten hing een portret van een Friese stadhouder. Er staken een paar bezems met dweil tussen uit. Het was net pop-art. Het had een bepaalde charme die ik mis in de nieuwbouw. Nu zou je denken dat het Fries Museum handig inspeelt op het Culturele Hoofdstad van Europa 2018. We weten al jaren dat het zwaard van Grutte Pier en de onderbroek van Mata Hari weinig of geen toeristen trekt. Reden genoeg om je blik eens Europees te verleggen. Niets van dat. Het Fries Museum opent een tentoonstelling over breien. Met ja ja, let op, internationale breikunstenaars en Frieslands opper breister Claudy Jongstra, compleet met een hoekje voor breiende plattelandsvrouwen. De breipatronen zijn te downloaden via de website. 


De tentoonstelling loopt goed. Busladingen plattelandsvrouwen worden af en aangevoerd. Inkomsten voor de stad. Iedere plattelandsvrouw drinkt wel een of twee kopjes koffie en koopt een gebreide Oldehove. Dat tikt aan. Dus ik moet niet zeuren. Wat zal het mij ook een worst wezen. Al zit koning Willem er te breien. Mij zul je niet horen zeggen dat breien geen kunstvorm is. Ook al zit het niet in het vakkenpakket van de gemiddelde kunstacademie. Misschien de brei-academie voor Hoger Brei Onderwijs. Maar de weigering van het museum om een overzichtstentoonstelling voor de 95 jarige landschap schilder Jentje Popma te organiseren is me in het verkeerde keelgat geschoten. Het argument was dat Popma geen internationale bekendheid geniet. Er vallen dus geen overvolle bussen met Japanners, Duitsers of Amerikanen te verwachten. Bovendien kan de man niet breien. Breiend gaan we op naar het culturele hoofdstad jaar 2018. De klapper in het Fries museum dat jaar zijn de tentoonstellingen van internationaal bekende mandvlechtkunstenares Saskia Stopnaald en kantkloskunstenaar Kees Klosma. Kees geeft kantklosworkshops in New York en Parijs. Je moet als Fries kunstenaar dus internationale bekendheid hebben om in het Fries Museum te hangen. Of erg goed kunnen breien. Beter nog is dat de kunstenaar dood is. Dat is handiger voor het museum. Aan een levende kunstenaar heb je net niks. Lopen alleen maar in de weg. Gaan lopen klieren met de bustehouder van Mata Hari. Is veel te levendig. Morgen ga ik even kijken in het plattelandsvrouwen breihoekje van het museum om in een plattelandsvrouw te knijpen. Kijken of ze nog leeft.