dinsdag 24 april 2018

De meervallen van het Nieuwe Diep

In mijn dromen loop ik vaak door verlaten steden. Regelmatig gaan ze over de Linnaeusstraat in Amsterdam. De straat waar mijn grootmoeder woonde. Mijn grootmoeder had 2 honden. De oudste heette Binky en was een wat sacherijnige teef met een kale buik vol met hangende tepels. Voor Binky moest je oppassen. Ze kon bijten. Binky had een dochter die Pluisje werd genoemd. Pluisje was veel aardiger dan haar moeder. Soms mocht ik de dieren uitlaten en liep dan rond het blok het sportfondsenbad Oost en de melkfabriek Sterovita, later Melkunie. Grenzend aan de Ringvaart. In tegenstelling tot vandaag was het een verlaten stukje stad. De melkfabriek stond leeg en van het zwembad zag je alleen de muren. Die verlatenheid komt terug in een van de vele stadsgezichten uit  mijn dromen. Ik loop langs de donkere Ringvaart naar het Nieuwe Diep. Het Nieuwe Diep is een meer in Amsterdam-Oost, tussen het IJ en de Watergraafsmeer. Er werd over verteld dat er meervallen zouden zitten. Vissen van wel 2 meter lang. Dat sprak tot de verbeelding van een 10 jarige. Uiteraard moest er op meerval gevist gaan worden. Echter al snel werd me duidelijk gemaakt dat die dieren veel te zwaar waren en heel diep zaten. Misschien wel 100 meter diep. Het Nieuwe Diep is diep. Uiteraard.
De Ringvaart en de huidige Oosterpoort
In een andere droom kom ik de voormalige Sint-Willibrorduskerk tegen. De Sint-Willibrorduskerk was een rooms-katholieke parochiekerk in Amsterdam, gelegen op de hoek van de Amsteldijk en de Ceintuurbaan. Als jongetje fietste ik er dagelijks langs, op weg naar mijn school in Oud Zuid. Hoewel ik me de kerk slechts vaag kan herinneren moet ik de sloop in 1966 gezien hebben.
De droom gaat als volgt: Ik sta samen met mijn jongste zoon Sjors op de Amstelbrug. Rechts van ons liggen de boten langs de Amsteldijk en staat de reusachtige Sint-Willibrorduskerk. Mijn 5 jarige zoon springt over de railing in het water. Nu was ik gewend van hem dat hij dingen zoals zwemmen gewoon deed, maar daarbij het hoofdstuk zwemles oversloeg. Ik zag hem met de stroom in de richting van de boten aan de Amsteldijk drijven. Ik sprong hem niet achterna maar liep naar de kant en zocht tussen de boten, maar vond hem niet. Met de vraag waarom ik hem niet achterna gedoken ben, werd ik wakker.
De Sint-Willibrorduskerk
In een andere versie van de droom ga ik de kerk in. Maar kom niet in een kerkinterieur maar loop plotseling op een verlaten en zeer groot plein. Er volgen weer verlaten en sombere stadsgezichten en wederom de donkere Ringvaart met in de verte de lichten van een stad. Lopend langs de vaart raak ik mijn fototoestel kwijt. Ook een regelmatig terugkerend element in mijn dromen. Als ik hem niet kwijt raak dan valt ie in het water of iets dergelijks. De meest terugkerende droom is de droom waarbij ik door een oud en verlaten schoolgebouw loop. Er is een grote ruimte die vol zit met mensen die stil zitten en zwijgen. Je kunt een spelt horen vallen. Ik loop door de gangen met links en rechts lege klaslokalen. Ik zoek het toilet maar kan het niet vinden. De aandrang om te plassen wordt groter en groter. Als ik wakker wordt ren ik de trap af naar het toilet. Pfffff. Net op tijd

donderdag 8 maart 2018

De comeback van de Clack

De grammofoonplaat is weer helemaal terug. Veel zaken uit de vorige eeuw maken een comeback. Ook constateer ik een voorzichtige hertinteresse in de analoge fotografie. Mogelijk ook in het  cassettebandjes. Ik heb nog een hele doos vol met cassettebandjes maar geen cassetterecorder. Net zo als diskettes of floppys voor een computer. Het gleufje dat men vroeger het A station of drive noemde komt niet meer voor op de hedendaagse computer. Je kunt ze dus net zo goed wegflikkeren. Ik bewaar ze. Een beetje met tegenzin omdat mijn huis uitpuilt van nutteloze troep die ik om onduidelijke reden koester. Waarom het cassettebandjes terug komt is me volslagen onduidelijk het waren ongelooflijke ondingen. De bandjes liepen regelmatig vast in de recorder. Je moest de slierten geluidsband die op spaghetti leken er dan uitpeuteren waarbij het bandje niet zelden onherstelbaar beschadigd werd. Je moest meters aan band weer in de cassette zien te wurmen. Als je dat verkeerd deed dan kreeg je de verkeerde kant van het bandje te horen en kwam de muziek er achterste voren uit. Mijn eerste mono cassetterecorder draaide op een joekels van batterijen. Oplaadbaren batterijen  waren er nog niet. Dus het was een dure grap.
Dat de zwart-wit tv terug komt staat als een paal boven water. Mensen krijgen genoeg van de home cinema. Het felle kleuren geschitter op reusachtige platte schermen met de pleuris herrie van dolby surround heeft niets met tv kijken te maken. Er gaan weer langwerpige, diepe en loodzware zwart wit tv 's gemaakt worden. Kolossale bakken met een piep klein rond schermpje. De tv moet weer gezien gaan worden als tv. Vanouds tv kijken met veel ruis en een gammel antennetje op het dak.
Dat de analoge fotografie terug komt lijkt me aannemelijker. Ik verheug me er op. Niet dat je mij ooit weer in een doka zult zien. Maar meer omdat ik mijn collectie analoge camera's langzaam maar zeker meer waard zie worden. Dat neemt niet weg dat vooral sentimenten ten grondslag liggen aan de collectie. Een tijdje geleden kocht ik voor 15 euro een analoge Pentax spiegelreflexcamera. Prachtige camera. Batterijtje besteld bij het Batterijhuis.nl en ik kon voor het eerst in mijn leven een werkende analoge Pentax spiegelreflex vast houden. Het was ooit een onvervulbare jongensdroom van me. Die dingen waren niet te betalen. Ik moest het doen met een veel goedkopere rolletjescamera. Een Agfa Isoly. Een redelijk goed toestel, dat wel. 
Beter dan mijn eerste toestel. Een toestel dat ik op de kermis gewonnen had. Het beschikte over een plastic lensje. Desalniettemin wist ik er toch foto's mee te maken. Deze jeugdige interesse in de fotografie was voor mijn vader een signaal om te stimuleren en dus kreeg ik voor mijn verjaardag de Agfa Isoly. Met een rolletje. Dus geen kleinbeeld Pentax spiegelreflexcamera. Toch was ik er blij mee. Het was een echt fototoestel en beter dan de Agfa Clack van mijn buurjongen. De Clack was het broertje van de kleinere Agfa Click. De Click zag er ook beter uit dan de rare dikke Clack. Hoewel ik het altijd een belachelijk Ollie B. Bommel toestel gevonden heb, was het een geliefd fototoestel. De 6x9 negatieven konden zonder vergroten worden gecontactprint. In de jaren '50 en '60 zijn er 1,65 miljoen exemplaren van geproduceerd. Vandaar dat die dingen vandaag de dag geen cent waard zijn. De Clack in mijn colletie heb ik voor een euro gekocht op een rommelmarkt. En hij doet het nog. Hij zegt nog 'clack'.

maandag 15 januari 2018

Het Immateriële Cultureel Erfgoed

Wat me de laatste tijd opvalt is dat alles en iedereen op de lijst van Immateriële Cultureel Erfgoed moet. Nu Greate Pier weer. Alle reuzen tussen tot 10 meter hoog, waaronder Greate Pier moeten op de lijst. Greate Pier is de meest noordelijke reus van Europa. Zijn zwaard en zijn daden worden in de volksverhalen vernoemd. Pier zou wel 2,15 meter lang zijn en met één hand een ploeg op kunnen tillen. Zijn zwaard heeft een lengte van 2,13 meter en weegt 6,6 kg. In het Fries Museum is een replica te zien. Hij zette zich in voor de onafhankelijkheid van Friesland in de strijd tegen de graven van Egmond die hij te lijf ging met dat enorme zwaard. In het dorpshuis in zijn geboortedorp Kimswerd hangt 'het enige echte zwaard van Greate Pier'. Zijn helm wordt bewaard in het stadhuis van Sneek.
Er is een sage waarin Greate Pier langs de Noord Hollandse kust vaart en met de enorme giek van zijn schip in een klap de torenspitsen van Ransdorp, Spaarnewoude en Muiderberg er af ramde.
De stompe toren van Ransdorp
Een tip voor Leeuwarders die in Noord Holland wonen en de Oldehove missen. Bezoek Ransdorp. Het schilderachtige dorpje vlak bij het Kinselermeer heeft een kerkje met een stompe toren en lijkt op de Oldehove. Alleen staat de toren recht en is niet verzakt, zoals ons fraaie stadsicoon. Dat is wel weer jammer. Daar zouden ze nog iets op moeten vinden.
De stompe torens van  Ransdorp, Spaarnewoude en Muiderberg ken ik vanaf mijn prille jeugdjaren. Regelmatig ging ik achterop de brommer (kaptein mobylette) van mijn vader naar een van deze dorpen. De toren van Spaarnewoude was bijzonder omdat in de muur twee stenen zijn ingemetseld op 269 cm hoogte, de lengte van de reus Klaas van Kieten. Die daar ooit gewoond heeft. De afstand tussen beide stenen (185 cm) zou de maximale afstand zijn van de toppen van de middelvingers van beide handen bij geheel gespreide armen. Van Kieten was een minder oorlogszuchtige reus dan Greate Pier. Alhoewel de geschiedenis hier onduidelijk over is. Reuzen werden maar al te graag geronseld voor het leger omdat ze natuurlijk beresterk waren. Er is ook geen reusachtig zwaard van Klaas van Kieten. Wel staan zijn enorme klompen nog in het kerkje. Klompen die 4 keer groter zijn dan de klomp waarop de gemiddelde boer zich voortbeweegt .
Prima zaak dat beide reuzen op de lijst van Immateriële Cultureel Erfgoed komen. Aan Greate Pier en Klaas van Kieten zal het niet liggen.

De afstand van beide handen van de reus Klaas van Kieten bij geheel gespreide armen.

 

zondag 10 december 2017

Eendjes voeren

Westerpark
Soms doe je, je hele leven iets en dan krijg je plotseling te horen dat je het altijd helemaal fout gedaan hebt. Dat had ik laatst met eendjes voeren. Reeds van jongs af aan breng ik mijn oude brood naar de waterkant waar hongerige watervogels kwakend en snaterend op mijn volkorenboterhammen zitten te wachten. Ik vind het een leuke bezigheid en mooi om het spektakel van vliegende en zwemmende vogels te fotograferen. Maar het is dus goed fout. Het bericht werd in eerste instantie via de radio verspreid. Brood bevat geen of nauwelijks voedingswaarde. Shit. Krijg je dat. Ook mijn dwars gebakken volkorenbrood dus niet. Meerder mensen spraken mij er op aan toen ik een paar oude witte bolletjes in de Emmakade gooide. Het leek of iedereen het er over had. Andere mensen zag ik iets graanachtigs in het water gooien of aan de kant strooien. 'Er zit geen voeding in, meneer.'  legde een mevrouw me uit terwijl ze naar mijn bolletjes keek. 'Ze worden er alleen maar dik van.' Ze liet me haar zak met verschillend granen zien. Nu leek me een dikke eend beter dan een magere, maar ik had geen zin in een discussie en ging verder met de witte bolletjes. De vrouw bekeek het met enige minachting. Hoe moest ik van mijn oude brood af als ik het niet aan de eenden kon voeren zoals ik dat gewend was.
In de jaren '50 en '60 toen we nog strenge winters hadden, ging ik als jeugdige vogelaar de deuren langs om oud brood in te zamelen voor onze nooddruftige gevederde vrienden die onder bruggen in wakken zaten te verkommeren. Op de zolder van het huis van mijn ouders had ik een clubhuis (de Zwarte Hand) ingericht in de oude kolenopslag. Een redelijk grote ruimte, die zich bovenaan de trap bevond. Hier werd al het brood gesneden en verpakt alvorens het naar de waterkant te brengen. De kolenopslag werd niet meer gebruikt omdat we zogenoemd stadsgas hadden. Stadsgas werd gemaakt van steenkool en stonk als de hel en was uiterst explosief.
Nieuwestad

We hadden een 12 pitsgaskachel met bakelieten branders en 3 standen. Het ding gaf geen warmte. Dit in tegenstelling met de oude kolenkachel die ik me slechts vaag kan herinneren. Kolen waren beduidend warmer maar veel bewerkelijker in het stoken. Omdat de kachel de boel niet warm stookte en het in de rest van het huis stervenskoud was, werd de keuken bij verwarmd met een Aladin oliekacheltje. In het kleine huis stonk het naar petroleum. De zakken met kolen werden in het najaar omhoog getakeld naar de zolderetage op de 4de verdieping. Aan de gevel hing een takelbalk. Ik kan het me vooral herinnering omdat het een keer goed mis ging. De kolenboer was 3 zakken omhoog aan het hijsen. De onderste zak scheurde langzaam open, waardoor de 2 bovenste los kwamen en het hele zaakje naar beneden kwam. De zakken spatten uit elkaar op het trottoir en de hele straat was zwart van het gruis. De kolenboer wist maar net het vege lijf te redden. Na het gebeuren zag hij er nog zwarter uit dan ervoor. Het heeft dagen geduurd voor de straat weer een beetje schoon was.
Veel later op de Bildtdijken stookte ik een houtkachel. Ik heb verschillende modellen gehad. De mooiste was een Etna platte buiskachel met 3 gaten om pannen op te zetten. Ik kan me de lange winteravonden met een pannetje soep op de kachel nog goed herinneren. Hout scharrelde ik per dag bij elkaar. Ingeval van strenge vorst haalde ik kolen bij de CAF in Oudebildtzijl. Grote eierkolen. Bij zeer strenge vorst werd er antraciet gekocht. Antraciet is warmer en blijft de hele nacht branden. De volgende ochtend hoef je alleen een beetje te porren. Het gevaar van brand of koolmonoxidevergiftiging werd hierbij enig sinds onderschat. Maar lekker warm was het wel.

woensdag 29 november 2017

Uitgezonderd bestemmingsverkeer

Leeuwarden is aan het dichtslibben met auto's. Er zijn 6 grote parkeergarages in het centrum. De stad is ervoor uitgehold als een gatenkaas. Toch is er geen straat in de stad die niet tjokvol staat met blik. De belangrijkste maatregel die de gemeente genomen heeft is een wirwar maken van eenrichtingsverkeersborden. De hele stad staat er vol mee. Dan is er nog het bord met de tekst, 'uitgezonderd bestemmingsverkeer'. Wat nu is bestemmingsverkeer? Iedereen heeft toch een bestemming? In de encyclopedie staat: 'Onder bestemmingsverkeer wordt verkeer verstaan dat een bestemming heeft op het aanliggende deel van de weg'. Daar zit logica in. Ondanks de borden en beperkingen is er geen straat of gracht waar geen auto's mogen komen. Andere steden hebben daarin tegen wel gedeelten van de stad die autovrij of luw zijn.
De zilver-esdoorns op het Wilhelminaplein
Maar Leeuwarden gaat stug door met het bouwen van parkeergarages en met slopen en uithollen van de stad. Dat heb ik altijd merkwaardig gevonden vooral omdat Groen Links een grote partij is in de Friese hoofdstad. Ik heb alleen maar geconstateerd dat pleinen de oprit naar een parkeergarage werden of volgebouwd werden. Een poosje geleden zag ik een tweet van Isabelle Diks. Een Groen Links kamerlid en voormalige wethouder voor milieu in Leeuwarden. In de tweet moedigde ze mensen aan om een trottoirtegel te verwijderen en in de vrijgekomen ruimte iets groens te planten. Er is in Leeuwarden ook een actie groep (Steenbreek) die zich inzet om meer groen in de stad te krijgen door mensen een plant of struik aan te bieden inruil voor een stoeptegel. Een goede actie. In mijn buurtje zie ik er jammer genoeg, weinig van terug. Ik zie alleen maar mensen die hun tuin betegelen. Nu vind ik een stoeptegel verwijderen om plaats te maken voor een plukje groen een beetje mager voor een Groen Links kamerlid. Je vraagt je af wat ze daar doen in Den Haag? Naast de stoeptegel en wat gehannes met buurttuintje kan ik van Diks niets groens herinneren.
Prinsentuin
Het bomen beleid van Leeuwarden is gruwelijk. Verplanten, verschuiven, snoeien en mishandelen. Een boom wordt in Leeuwarden niet oud. Om over de zilver-esdoorns die staan te verpieteren in een uit de kluiten gewassen bloembak op het dak van parkeergarage Zaailand, maar niet te praten. In Leeuwarden worden bomen gezien als stadsmeubilair. Net zo iets als bankjes. Dingen die je naar believen kunt neerpoten waar je wilt. Waarom zorgt Groen Links niet voor meer groen in de stad. Waarom worden er op opengevallen stukken tussen de bebouwing geen parkjes gemaakt, maar komt er altijd weer een nieuw grijze bouwsels.
Op de ontluchtingskoker van de parkeergarage Zaailand heeft de kunstenaar Rene Knip een gedicht over de stad Leeuwarden van Melvin van Eldik aangebracht.


onwemelber

uutdijende stad, wiken en kertieren

langs onbenoemde lanen stromen fan ut komt en ut gaat tussen dageraad en avendfal

bij ringwech over ut spoar tussen uutlaatgas en de geur fan fersbakken broad ut eens wearsinwekkend geloei fan ter doad feroordeeld fee op wech naar ut abbetwaar

op de nieuwe jas fan ut plein hakken kleurege skunen de leegte kapot, flot of stoatend

in de avendstraten bedaart de fugatiese driftechhyd fan alwear un dach

allegro, vivace, presto, prestissimo

haastech, mar noait in ferstikking ferblivend….onwemelber

Melvin van Eldik






vrijdag 27 oktober 2017

Plannen voor (budget) CH18

Omdat de begroting voor Leeuwarden Culturele Hoofdstad van Europa 2018 vast nog niet rond is, en er mogelijk een fors tekort zal zijn, volgen hier een aantal goedkope maar toch leuke ideeën.

Omdat CH18 in het teken staat van de Mienskip heb ik de kerstlampjes actie bedacht. Omdat het plan van een lichtkunstwerk op de Afsluitdijk kennelijk niet door gaat, stel ik voor dat iedere Fries een snoertje kerstboomverlichting ophangt aan het begin van de Afsluitdijk. De organisatie moet zorgen dat er voldoende stopcontacten zijn. Of misschien is het beter om ze in te leveren in de Blokhuispoort. Vandaar kan dan een medewerker het coördineren. Wordt vast mooier dan het ontwerp van de Rotterdamse lichtkunstenaar en veel goedkoper. Misschien is het ook leuk om de Oldehove vol met kerstboomverlichting te hangen. Maar dat moet als plan nog uitgewerkt worden.
Afsluitdijk
Een andere leuke en goedkope kunstige versiering is het windmobiel. Toen mijn kinderen nog klein waren verzamelde ik lege wc rolletje, stukjes zilverpapier, ijslolly stokjes en dat soort dingen. Het enige wat ik kocht waren vlieger houtjes en wat lijm. Een beetje knutselen hoeft niet duur te zijn. Voor CH18 kunnen we een hele grote windmobiel bouwen op het Zaailand of in het kale trapgat van het Fries Museum. In plaats van wc rolletje kunnen er lege kartonnen kokkers waar stof opgerold zat, gebruikt worden. In plaats van vlieger houtjes, misschien oude hengels of bamboestokken. Hartstikke leuk.

Een rode neuzen dag. Op even dagen moeten alle mannelijke Friezen een rode neus dragen en op de oneven de Friezinnen. Staat het hele jaar feestelijk en je hoeft niet iedere dag een neus op te hebben. Rode neuzen zijn sterk gereduceerd in prijs. Mensen met een bijstanduitkering krijgen iedere maand bij hun uitkering een verse rode neus. Zodat ze niet het hele jaar met dezelfde neus hoeven lopen.

Gezien het verpletterende succes van de breiwerkjestentoonstelling in het Fries Museum, is het duidelijk dat breien een centrale plaats in moet nemen in het culturele jaar. Om de kosten van breiwol te drukken is misschien mogelijk dat de organisatie op grote schaal de benodigde bolletjes inslaat. Wildbreien is een leuk idee. Omdat de gemeente alle bomen aan het uitmoorden is krijgen de overgebleven bomen allemaal een mooie wollen das of kleurig hesje. Om ze een beetje op te fleuren. Maar het centrale idee is om een enorme das te breien die 5 meter breed is. Een Elfstedendas. De  reuze das krijgt uiteraard een Pompeblêd motief. In Leeuwarden is de start richting Sneek. De Sneekers nemen het over en breien verder naar IJlst en zo gaan we verder langs de route. Uiteindelijk eindigen we weer in Leeuwarden in de Prinsentuin. De start van de das is in januari en de finish moet ergens in december zijn. Liefst voor de kerst.

Het stapelplan is geïnspireerd op de Ecokathedraal in Mildam. Hier kan de gemeente al zijn oude en overtollige bestrating kwijt. Mogelijk kunnen er nog delen van de Drachtsterbrug gebruikt worden. Een Ecokathedraal op het Wilhelminaplein zou de knaller van het jaar kunnen zijn. Jammer is dat je op de korte termijn de begroeiing niet rond krijgt. Aan de zilver-esdoorns die staan te verpieteren in een uit de kluiten gewassen bloembak op het dak van de parkeergarage, hebben we niet veel. Om zoveel mogelijk beplanting te krijgen moet de bovenste etage van de parkeergarage open gegooid worden en worden vol gekieperd met aarde. Misschien is het leuk om de Mercuriusfontein op het plein te plaatsen en te laten overwoekeren door klimop. Als fontein heeft ie het toch nooit goed gedaan dus misschien kunnen we dat beter vergeten. Mogelijk kunnen er nog meer lelijke beelden naast geplaatst worden. Zo kan het culturele jaar leuk en niet duur zijn.
Verdere leuke ideeën volgen.


Ecokathedraal bij Mildam


donderdag 28 september 2017

Het heen en weer

De in- en uitcheckpoortjes op de stations zijn door hun proefperiode gekomen en goed bevonden. Ook station Leeuwarden is sinds kort uitgerust met in- en uitcheckpoortjes. De poortjes zijn volgens de NS om de veiligheid op de stations te verbeteren. Iedereen die in het bezit is van een OV chipkaart met saldo kan het perron op. Ik dus niet, want ik heb geen OV chipkaart. Jammer want ik mag graag wat fotograferen op de perrons of een patatje eten en even in het zonnetje op een bankje zitten. Bij mijn laatste treinreis had ik een zogenoemd goedkoop Kruitvatkaartje. Daar kom je ook mee door de poortjes, maar alleen op de dag dat je het gebruikt. Het is een dagkaart.
Station Leeuwarden ziet er maar raar uit met al die poortjes. Bij de hal en kleine ruimte voor de poortjes is het druk. Bij de poortjes staat spoorwegpolitie en ander NS personeel om de boel in de gaten te houden. Als het poortje waar ik door wil niet direct reageert op mijn Kruitvatkaartje en ik wat sta te emmeren, zie ik de spoorwegpolitie-agent wantrouwend in mijn richting kijken. Natuurlijk houden ze mensen die staan te klooien voor de poortjes in de gaten.


De dame achter me attendeert me erop dat ik mijn kaartje niet op het grote vierkante vlak moet houden, maar op het ronde vlak er onder. “Waar die pijl naar wijst” merkt ze op. Juist. “Grotere pijlen hebben ze niet” volgt er sarcastisch achter aan. Het poortje ontsluit zich en het beveiligingspersoneel ontspant zich weer. Iemand die niet door de poortjes komt is natuurlijk verdacht.
Op de terugweg checkte ik uit bij het verkeerde poortje. Later begreep ik dat de rode poortjes van Arriva zijn en de gele van de NS. Sjonge. Er verscheen een tekst met de mededeling dat ik bij de NS moest uitchecken. Krijgen jullie allemaal het heen en weer, dacht ik en glipte mee, door het open poortje van een medereiziger. Onmiddellijk kwam er een NS medewerker op me af die streng naar mijn kaartje vroeg. Nadat hij mijn Kruitvatkaartje bekeken had mocht ik onuitgecheckt doorlopen. Het rare vond ik dat er ook nog gecontroleerd werd in de trein. Je zou zeggen dat er door al dat in- en uitgecheck geen kip zonder kaartje de trein in komt. Maar een conducteur hoort er natuurlijk bij. Bovendien moet er iemand bij vertrek van de trein op een fluitje blazen. Jammer dat hij geen kniptang meer heeft, maar een of ander elektronisch geval dat rare piepjes geeft. Ook leuk, natuurlijk maar ik denk wel eens met heimwee aan de oude kleine kartonnen kaartjes waar de conducteur enthousiast gaatjes in knipte. Als je een lange reis had leek je kaartje soms wel een gatenkaas. Conducteurs hebben ook geen mooie pet meer en geen rode sjerp waar de kniptang aan hangt en een stempel en dat soort zaken. Ze zijn ook niet echt vriendelijk en maken geen praatje. Uitzonderingen daar gelaten. Dat is jammer. Eigenlijk lopen ze ook voor joker rond, want de in- en uitcheckpoortjes hebben hun werk al gedaan. Misschien hadden ze er beter meer conducteurs bij kunnen nemen, inplaats van die poortjes. Die maffe poortjes kosten ook niet niks. En dan hoeft er ook geen personeel de hele dag naar het gehannes bij de in- en uitcheckpoortjes te kijken. Die kunnen dan weer iets zinvols gaan doen. Zoals kaartjes knippen.
De in- en uitcheckpoortjes van Arriva


zondag 10 september 2017

Een fiets is iets, maar bijna niets

Sinds enige tijd ben ik bezig om van mijn schuurtje een klein museumpje te maken. In het achterste gedeelte staat mijn bijzondere stenen collectie. Onlangs heb ik een klompje steen van de Drachtsterbrug toegevoegd. Uit sentimentele overwegingen. De brug is onlangs gesloopt. De overige ruimte biedt plaats aan stukken van uiteenlopende aard. Voornamelijk machine onderdelen en oude apparaten. Er staat bijvoorbeeld een motorblok van een Solex. Het ding komt van een Solex die ik ooit zou repareren. Toen hij eenmaal uit elkaar lag, bleek ik niet in staat hem weer in de oorspronkelijke situatie terug te brengen. Laat staan te repareren. Uiteindelijk heb ik hem in losse onderdelen aan een oud ijzer verzamelende buurman geschonken. Alleen het motorblok en het aandrijfwiel heb ik om onduidelijke reden gehouden.
Mijn kennis omtrent motoren is beperkt. Een bougie schoonmaken is het hoogtepunt van mijn kunnen. Het aardige van de Solex is, dat ik de benzinetoevoer naar de carburateur kan schoonmaken. Je schroeft een paar boutjes los en legt het slangetje in een bakje benzine om het een poosje te laten weken. Daarna blaas je het ding door en plaatst hem weer op de carburateur. Dit technische hoogstandje gaf me het gevoel dat het met mijn technische kennis wel meeviel. Alleen een hele solex uit elkaar slopen en weer in elkaar zien te prutsen, was een brug te ver. Het leuke was dat je er ook zonder benzineleiding op kon rijden. Je kon van bovenaf voorzichtig wat benzine in de carburateur druppelen en dan tufte je weer een paar kilometer verder. Je moest wel zorgen dat je een flesje benzine bij je had en voorzichtig op de rijdende solex de benzine in het motortje gieten. Als je er voor stopte liep je het risico dat je het ding niet meer aan de praat kreeg. Maar het handige van een Solex is dat je er ook op kunt fietsen als je het motortje van het voorwiel trekt. Niet dat je er dan hard op vooruitkomt, maar het vehikel is ook niet gemaakt voor de TT van Assen. Op een Solex was het ook niet nodig om een helm te dragen. De 20 km per uur haalde ik niet en een beetje enthousiaste fietser kon me zonder problemen passeren. Voor een hogere snelheid had ik een Kaptein Mobylette. Een zogenoemd EEGtje. Een populair damesbrommertje in die dagen. Scheurde als een racewagen. De remkabeltjes braken wel regelmatig. Meestal op cruciale momenten. Het ding heeft me bijna het leven gekost. Vooral de nachtelijke tochten na een bezoekje aan de Leeuwarder horeca waren soms wat problematisch. De wegen van en naar Leeuwarden waren in de jaren 70 nog niet optimaal.
Wat nu het fietspad naar Stiens is, was vroeger de autoweg en het fietspad was een smalle strook van misschien 50 cm. Later kreeg ik een zwaardere Kaptein Mobylette. Wat met het winderige weer in de provincie wel nodig was. De Mobylette heb ik altijd een beetje een burgertrutjes brommer gevonden. Ik had natuurlijk liever een Puch of een Kreidler willen hebben. Tegenwoordig fiets ik liever. Het is mijn belangrijkste lichaamsbeweging. Ook een elektrische fiets lijkt me niks. Meer iets voor ouwe wijven. Ze doen me soms wel aan mijn oude Solex denken. En dat is wel weer leuk.

donderdag 27 juli 2017

De landbouw pennenlikkers

Enige tijd terug heb ik de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Mijn pensioenopbouw is versplintert over meerde pensioenfondsen. Een klein stukje daarvan ligt bij het BPL. Het pensioenfonds voor de landbouw. Het gaat om één zomer werken in de grasdrogerij van Marrum in de gemeente Ferwerderadeel. De drogerij lag vlak aan de Waddendijk. Het betrof een grote zogenoemde droogketel in een loods. Het ding werd volgepropt met gras, draaide rondje, werd verhit en aan de achterkant kwamen dan de koeiebiks eruit. De biks werden verpakt in zakken van 40 kg om vervolgens door mijn persoon op pallets geplaatst te worden. Acht lagen van vijf zakken per pallet, die vervolgens met een heftruck in een romnyloods gestapeld moesten worden. De werkzaamheden begonnen om 5 uur 's ochtends als de zon opkwam boven het Noorderleeg. De baas betaalde goed, met veel vakantiegeld en een winstbonus. Toen ik rond mijn 65ste ging uitvlooien in welke hoeken en gaten mijn pensioenopbouw zat, kwam ik het BPL tegen. Omdat het maandbedrag laag was, besloot ik om het af te kopen. Ook niet veel, maar dan heb je nog wat. Formulieren ingevuld, bankrekening erbij en wachten maar. Het viel me trouwens op dat alles nog gewoon met de post ging. Email is kennelijk niet echt agrarisch.
Het Noorderleeg
Toen we ruim een half jaar verder waren en ik niets meer vernomen had van de BPL ging ik eens op hun website kijken. De kleurige website stond vol met leuke, frisse en lachende jongeren die tomaten aan het plukken waren of zichtbaar gelukkig op een trekker iets met aardappels deden. Op de grasdrogerij van Marrum heb ik ze nooit zo in hun nopjes gezien, vooral niet 's ochtens om 5 uur. Bij bestudering van de vrolijke site, kwam ik er achter dat het BPL de AOW gerechtigde leeftijd iets anders vindt dan de pensioenleeftijd. Volgens de landbouwclub begint die pas op je 67ste. Nu wordt de AOW leeftijd opgetrokken naar 67. Maar zo ver was het voor mij nog niet. Het was te weinig geld om me druk over te maken, maar het zat me wel dwars. Stel dat je hele pensioenopbouw bij die club ligt. Het is gewoon 2 jaar jatten. Je overlijdensleeftijd wordt tenslotte ook niet 2 jaar opgeschoven. Uiteindelijk besloot ik een mailtje te sturen met de mededeling dat ik me poen wou. Het duurde even maar er kwam uiteindelijk een beetje bescheten antwoord. Ik moest een formulier invullen. Hoe bestaat het. Het formulier zou per post gestuurd worden binnen 14 dagen. Ze namen ruim de tijd om een stukje papier in een envelop te stoppen. Maar dan zou de pensioen afkoop ook in behandeling genomen worden. Dom van me natuurlijk dat ik gewoon dacht dat ze mijn geld konden overmaken. Natuurlijk moeten ze mijn pensioenopbouw behandelen. Na ruim een week kwam er inderdaad een formulier met de post. Snel ingevuld en terug gestuurd naar de landbouw pennenlikkers. Weer 14 dagen later kwam er een brief waarin vermeld werd dat mijn formulier in goede orde was ontvangen. Ik blij. Mijn pensioengelden waren nu in behandeling. Na 14 dagen behandelen wederom een brief. Ze hadden een kopie van mijn ID kaart nodig. Donders. Nog steeds niet uitbehandeld. Als het zo doorgaat ben ik ondertussen 67. Snel het document verstuurd. Weer 2 weken verder kreeg ik op verheugde toon een brief dat de behandeling afgerond was en ik mijn pensioen zou krijgen. Pfffff... Nu wachten op de storting. Zou het er voor de kerst zijn? Na 14 dagen niets vernomen te hebben van het BPL, laat staan iets van een storting waargenomen te hebben, besloot ik te bellen. Na een half uur in de wachtrij met een lullig muziekje te zijn gezet, kreeg ik een meneer die het allemaal haarfijn zou gaan uitvlooien voor me. Na wederom 10 minuten naar het lullige muziekje te hebben geluisterd kwam hij vrolijk terug met de mededeling dat ik nog niet verwerkt was. Nu had ik al een vermoede in die richting. Niet verwerkt, natuurlijk, he he. Nu weten we het. Ik kon op het randje een opkomende woede aanval onderdrukken.
Voorzichtig, inwendig vloekend en met alle vriendelijkheid die ik nog uit de diepte naar boven wist te krijgen, vroeg ik, 'kunt u me dan vertellen wanneer ik verwerkt ben'? 'Phoooeee', verzuchte de landbouw pennenlikker,  'meneer de Bood... wat zal ik zeggen, tja. Weet u'. Nee ik wist het niet? 'We hebben het erg druk. Zou u misschien volgende week nog een keer kunnen bellen. Dan weet ik meer'. Hier knapte er iets in me. De telefoon uit het raam gooien leek de enige optie. Omdat ik op het punt stond enige zeer grove vloeken in de hoorn te schreeuwen kon ik net op tijd de verbinding verbreken. Ik ben maar in de tuin gaan zitten. Dat heeft altijd een kalmerende uitwerking op me. De egel familie die onder het schuurtje van de buurman woont kwam net langs. Het gezin was onderweg naar de klimop. In de dichte begroeiing vinden ze slakjes en ander voedsel. Het leven van een egel is duidelijk een stuk eenvoudiger dan dat van de mens. Ze hoeven niet verwerkt te worden door het BPL. En al helemaal niet tot sint-juttemis te wachten op hun pensioen.

woensdag 5 juli 2017

Over geheime plekjes en waterpoorten

De Sneeker Waterpoort
Al een poosje liep ik met het idee om een paar foto's van de waterpoort in Sneek te maken. Ik was er ooit eens geweest en had het oude bouwwerk wel gezien maar had te weinig tijd om hem goed te bekijken. De poort is mede zo interessant omdat het laat zien hoe onzorgvuldig Leeuwarden omspringt met het cultureel erfgoed. Nu werden de 4 Leeuwarder land- en waterpoorten al in de 19de eeuw gesloopt. Ze vormden onderdeel van de verdedigingswerken. Toen er geen reden meer was om de boel te verdedigen, werden als eersten de poorten afgebroken. In Sneek moet zich hetzelfde voorgedaan hebben, maar de Snekers lieten hun poort staan. Misschien vonden ze het handig om in de peiling te houden wie hun stad binnen kwam varen. Of misschien vonden ze het gewoon een mooie poort. Wat het ook is. Ook de oude watertoren werd niet gesloopt, zoals in Leeuwarden. De Sneker watertoren vind ik eigenlijk niet echt mooi. De oude verdwenen Leeuwarder watertoren was mooier. Maar daar hebben we nu niet zoveel meer aan.
Bouw van het M.C. Escher Akwadukt
Hoewel er dit jaar volop gesloopt wordt in Leeuwarden is het belangrijkste sloopobject de Drachtsterbrug. Hij staat al in de planning. In augustus wordt het M.C. Escher Akwadukt geopend. Het nieuwe akwadukt is naast de brug gebouwd. Daarna moet zo snel mogelijk de scheepvaart belemmerende brug er aan geloven. Het is geen mooie brug. Toch kunnen bouwsels die niet mooi zijn, heel fotogeniek zijn. Vrouwen hebben dat trouwens ook, maar dit terzijde. Onder de oprit van de brug was een vrijplaats voor graffiti spuitende jongeren. Een beetje geheim stukje Leeuwarden. Ook daklozen brachten er de nacht door. Koud en winderig, maar wel droog.
Onder de Drachtsterbrug
Ik heb wel eens gedacht dat het een mooie plek zou zijn voor een popconcert, een theatervoorstelling of iets met modern ballet. Uiteindelijk was het een stuk grond waar niets mee gedaan werd. Een niemandsland. Best spannend daar aan de oevers van het van Harinxmakanaal. Ik kon in het bestemmingsplan niet terug vinden wat er met mijn geheime stukje grond gaat gebeuren. Hopelijk iets met groen, maar het  zal wel bebouwd worden. Gelukkig heb ik meerdere geheime stukjes stad. Maar die zijn geheim. Uiteraard.
Drachtsterbrug

zaterdag 13 mei 2017

Analoge klappertjes

Mijn verzameling nutteloze maar dierbare stukken bestaat uit 2 delen. Een gedeelte staat opgeslagen in mijn schuurtje en bevat stenen of stukjes steen van verschillende gesloopte panden. Onder andere een hoekje van een gedenksteen uit het voormalig Bonifatius hospitaal. De letters ólk' zijn nog te lezen. Als iemand weet wat het gehele woord is, dan zou ik dat graag vernemen. Avonden heb ik er over zitten piekeren. Volk leek me het meest aannemelijk, maar kolk of wolk kan ook of erger, het zou in het Latijns kunnen zijn. Dan staat er iets als Orie et camolk. Of iets dergelijks. Maar ik vrees dat ik het bij leven nooit zal weten. Bij de verzameling in de schuur koester ik ook mijn stukje hout van het Elfstedenbrugje van Bartlehiem. Van het oorspronkelijke brugje, wel te verstaan. Het betreft een authentiek plankje. Cultuurbarbaren van de gemeente Tietjerksteradeel hebben het brugje inmiddels vernieuwd en voorzien van nieuwe houtdelen. Mijn plankje kon ik op het nippertje redden. Friesland mag me dankbaar zijn, omdat ik zo een belangrijk stuk heb gered. Eigenlijk hoort mijn plankje thuis in het Fries Museum. Ik ben alleen bang dat ze daar het historisch stuk niet op waarde zullen inschatten.
Kerncentrale bij het Belgische Doel

In de huiskamer bewaar ik het tweede gedeelte van de collectie. Deze bestaat onder andere uit tegels. Een mij dierbare vloertegel komt uit een huis van Belgische het plaatsje 'Doel'. Waar een kerncentrale staat. Omdat niemand er wil wonen is Doel een spookdorp geworden. Uit een van de leegstaande huizen heb ik de tegel mee genomen. Het is een lelijke kleurloze tegel waar een hoekig motief op staat. Veel gevoel voor vormgeving hebben die Belgen niet. Maar het gaat me meer om de gevoelswaarde. De herinnering. 
Vloertegel uit Doel
Onder het weinige wat ik uit mijn ouderlijk huis heb behoort een klein potje. Het is een fraai potje dat ooit op het bureau van mijn grootvader stond. In het potje zitten kleine dingetjes. Mijn vader verzamelde van alles. Vaak onduidelijke zaken. Hij stopte het in potjes en doosjes. In het potje van mijn grootvader zit ook een jarretel van mijn moeder. Of althans een gedeelte waarmee je de kous vastzet. Een clipje. Mijn moeder was een kleine dikke vrouw. Ze droeg erg ingewikkeld ondergoed. Een reusachtig korset dat haar gehele boven lichaam als een harnas insloot. De aan- en uitkleed ceremonie vond achter de deur van de klerenkast plaats. De schuifdeur die vanuit de huiskamer toegang bood tot de slaapkamer bleef open. Zodat we dagelijks de rituelen konden horen. Net als de buren, trouwens. Mijn vader moest alle haakjes in de oogjes zien te wurmen. Een tijdrovende klus die gepaard ging met veel gevloek. De jarretels in het potje zijn afgeknipt. Ik zal nooit weten waar ze van afgeknipt zijn? Ik heb het vermoeden dat ze onderaan het korset hingen. Iets als een jarretelgordel of kousenband heb ik in de garderobe van mijn moeder nooit gesignaleerd. Waarom mijn vader het bewaarde is onduidelijk. Maar dat geld voor de meeste dingen die hij bewaarde. Er zit in het potje nog een manchetknoop, een klein stukje koraal en een fijnstemmer voor een viool, een medaille voor een zwemwedstrijd uit 1936 en een klappertjesraket. Jofel speelgoed. Het klappertje plaatste je in de voorkant van de raket, waarna je hem hoog in de lucht gooide. Als het ding dan op de stoep viel dan hoorde je dan het gewenste knalletje. De klappertjesraket was vroeger zeer populair. Vandaag de dag zie je ze niet meer. Misschien dat hele jonge kinderen nog een klapperpistooltje of raketje voor hun verjaardag krijgen. Maar de smartfoon heeft de plaats ingenomen van het analoge geklapper. Net zoals de volwassen lopen jongeren de hele dag met het scherm van een smartfoon voor hun neus. Als je een groepje scholieren ziet, dan hebben ze geheid allemaal zo een ding. Eigenlijk vind ik het armoede. 'Ga toch spelen' denk ik wel eens. Een klappertjesraket is toch veel leuker.



maandag 27 maart 2017

De daken van de stad

Mijn ouders waren vroeger lid van de VARA. De omroep stond toen destijds bekend als links. Er werden linksige items uitgezonden in de actualiteitenrubrieken. Ook de andere programma's hadden vaak een links karakter. De politieke voorkeur van de omroep werd niet onder stoelen en banken geschoven. De VARA had toen nog een eigen identiteit en liet zich nog niet meeslepen met de mainstream. Nu was in de jaren 60 mijn belangstelling voor de zwart-wit TV van mijn ouders minimaal. Het betrof een groot geval. Het televisietijdperk stond nog in de kinderschoenen en er was nog maar een zender. De uitzendingen duurde ook niet zo lang. Om 10 uur ’s avonds stopte het al. In een later stadium kwam er een tweede zender bij. Voor een goede ontvangst moest op de bestaande Nederland 1 antenne een tweede kleinere antenne gemonteerd worden. De daken van de stad stonden vol met antennemasten. Veel masten werden tegen de huizen gemonteerd. Langs de huizen bungelde draden die via de vensters naar de televisies liepen. Ik kocht zelf nooit een antenne omdat er zoveel antenne resten en stukken op het dak lagen waar ik met wat geknutsel een nieuwe van samenstelde.
De laatste mast die ik zelf in gebruik had was in Nieuwebildtzijl. De ontvangst was beperkt en sterk afhankelijk van het weertype. Bij helder weer had je een betere ontvangst dan bij bewolkt en regenachtig weer. Als het beeld slecht was dan moest ik het dak op om de antenne te draaien, teneinde hem beter op de zender te richten. Een regelmatig terugkerend ritueel waarbij mijn toenmalige partner beneden hard ja of nee moest roepen naar gelang de verbetering of verslechtering van de beeldkwaliteit. Een toestand die niet ongevaarlijk was. Het betrof een oud en gammel dak en ik moest acrobatische toeren uithalen om de antenne te draaien. De mast was tegen de schoorsteen gemonteerd dus daar moest je bovenuit zien te komen. Balanceren op de nok. Achteraf verbaas ik me nog wel eens dat ik niet door het dak gegaan ben. Bij mistig weer was het mogelijk om Duitsland te ontvangen en soms ook wat schimmige beelden van Scandinavische landen. Hartstikke leuk. Aan de dijken was nog geen kabel. Ik miste het niet.
Een beperkt aanbod heeft voordelen. Een of twee slechte zenders zijn beter te hanteren dan dertig slechte zenders. Bovendien is de kwaliteit van de Nederlandse televisie dermate belabberd dat een sneeuwerig beeld geen enkel probleem vormde. Lang na de komst van de kleuren televisie bleef ik zwart wit kijken. Deels door de kosten van een kleurenapparaat maar vooral door desinteresse in het medium. Ik heb nog jaren een zwart wit camping televisie gehad met een zogeheten kamer antenne, bestaande uit 2 uitschuifbare sprieten. Geweldig ding. Soms zag je zelfs schimmige figuren door de ruis. Ik denk dat we weer terug moeten naar de zwart wit televisie. De grammofoonplaat en het cassettebandje zijn ook weer terug.  Ik voorspel dat de zwart wit televisie het in 2018 helemaal gaat maken. Let maar op.

vrijdag 27 januari 2017

Verdwenen treurnis

Mariniersespel 2004
De Mariniersespel is verdwenen. De oude pleintjes in de Vrijheidswijk zijn gesloopt. Er zijn dure koopwoningen voor in de plaats gekomen. Ik fiets er nog wel eens langs als ik groenten ga kopen in de dorpstuin van Snakkerburen. Wat me opvalt is dat de nieuwbouw die ervoor in de plaats gekomen is, er net zo treurig uitziet als de verdwenen huizen van de Mariniersespel. Ik woonde er in een ruime eengezinswoning. Het was een donker huis. Somber. Soms dacht ik dat er een entiteit in het huis zat. Voorwerpen veranderde van plaats. Als ik voor het slapen, een bepaald doosje op een plek neerlegde, lag het de volgende dag ergens anders. Soms hoorde ik ‘s nacht geschuif van meubels. Als ik dan naar beneden ging om te kijken, bleek alles gewoon op zijn plaats te staan. In mijn huiskamer hing dan een alles verpletterend stilte. Ik raakte ervan overtuigd dat er ooit een moord gepleegd was. Misschien wel meerderen. Het huis had een tuin met kleiachtige grond met veel kiezels en stenen. De Vrijheidswijk is waarschijnlijk de meest multi-culturele wijk van Leeuwarden. Naast me woonde een Vietnamees gezin. Een vader, moeder en een beeld schone dochter. Haar lach kon van een donkere dag een stralende maken. De moeder reed op een kinderfietsje. Dit om een indruk te geven van het formaat van mijn buren. Het gezin voorzag in het onderhoud door middel van een loempiakarretje dat achter het huis geparkeerd stond. De loempiaatjes werden in de keuken gefabriceerd. Soms als ik even door de tuin liep kreeg ik er een aangeboden en stond het gezin trots te stralen als ik de lekkernij opat en kenbaar maakte hoe lekker ik het wel vond. Soms kwam er Vietnamese muziek door de muur. Naar het leek waren daar vaste tijden voor en het duurde nooit lang. Treurige en weemoedige muziek, die iets weg had van een ceremonie. Het maakte het er niet vrolijker op.
Mariniersespel 2004
De buurman of vrouw aan de andere kant heb ik nooit gezien. Door de spaarzame geluiden die ik door de muur hoorde constateerde ik aanwezigheid in het huis naast me. Om mij onduidelijke reden noemde ik de persoon aan de andere kant van de muur, ‘de heks’. De geluiden die doordrongen kwamen vanuit de grote ouder slaapkamer aan de straatkant. Een enkele keer klonk het geluid van een elektrische piano. Er werd een deuntje gespeeld dat gedurende 10 minuten herhaald en herhaald werd. Dan werd het weer stil. In een poging iets meer van de heks te weten te komen heb ik een keer door de struiken in de huiskamer naast me gegluurd. Het was een huiskamer met weinig meubels. Op de vloer lagen Perzische tapijten. Ook aan de muren hingen Oosters aandoende doeken en afbeeldingen. Midden in de kamer stond een tafel met daarop een groot schaakbord met een afgebroken partij erop. Pas later begreep ik dat er iemand ziek lag te zijn naast me. De dame die ik dagelijks op de fiets langs zag komen was een wijkverpleegster en een enkele keer zag ik een ambulance een grote zuurstoffles brengen. Er vonden dus geen bovenaardse rituelen plaats. Dat viel een beetje tegen. Maar er gebeurde meer wonderlijke zaken op de Mariniersespel. Zo trof ik op een ochtend een schoppenaas aan op de bodem van mijn huisvuilcontainer die aan de straatkant voor de deur stond. Aanvankelijk schonk ik er geen aandacht aan. Maar toen ik er over na ging denken concludeerde ik dat het niet klopte. Ik had de speelkaart er niet zelf in gegooid. Ik had geen speelkaarten in huis. Later wist een vriend me uit te leggen dat het een waarschuwing was. ‘Je moet oppassen als hij met een mes in je voordeur zit’. Wist hij nog te melden. Ik zat nu met de vraag uit welke hoek de speelkaart kwam. Twee huizen verder woonde een Indonesische familie. Waarmee ik geen contact had. Daarnaast een alleenstaande Oosterse man. Naar zeggen van de Nederlandse buurvrouw van de overkant, zou het een fakir zijn. De man stak messen en ander keukengerei door zijn tong en en lag regelmatig op een plank met spijkers. De speelkaart had zonder twijfel met de fakir te maken, maar bewijzen ervoor had ik niet.
De Mariniersespel lag vlak aan de Dokkumer Ee. Bij Snakkerburen en Lekkum. Dat was een prettige bijkomstigheid. Bijna dagelijks wandelde ik langs de oevers. Even weg uit de deprimerende wijk. De Mariniersespel bestaat niet meer en het zou beter geweest als hij nooit gebouwd was.
Dokkumer Ee

dinsdag 8 november 2016

Kattenbelasting

Toen ik laatst thuis kwam, rook ik een penetrante poeplucht. ‘Ja hoor’, dacht ik en keek naar mijn schoenen. Een bruine rand kwam onder de zool van mijn rechter schoen uit. Bingo. Ik had in de hondenstront gestaan. Nu zie je de laatste tijd niet zoveel hondenpoep meer op straat. Mensen worden op straffe van een boete gedwongen zo genoemde hondenuitlaatplaatsen te gebruiken, er zijn hondenpoepbakken, schepjes, zakjes, drollengrijpertjes en drollenharkjes. Vroeger zag je hondendrollen op straat liggen, tegenwoordig ook maar nu zitten ze meestal in een plastic zakje. De tijden veranderen. Het gaat als volgt te werk. De hond poept. Het baasje stroopt het zakje binnenste buiten over zijn hand en pakt het uitwerpsel en stroopt het zakje van zijn hand, zodat de drol verpakt wordt. Hele verbetering. Vooralsnog had ik kennelijk niet in een verpakte drol gestaan. Nu heb ik vroeger honden gehad. Er was toen nog geen sprake van zakjes, bakjes of grijpertjes. Je hond kon nog naturel het trottoir bevuilen. Maar het was wel de bedoeling dat honden in de goot hun behoefte deden.
Drol van Wim T. Schippers in het Bos van Epey

Toen ik een jaar of 18 was, heb ik een hond uit het asiel gehaald. Een bastaard stond in het hondenpaspoort dat met het dier mee geleverd werd. Het was een klein vrouwtje met de tekening van een herder en met de sik van een terriër. Het was een onafscheidelijk kameraadje die geen moment van je zijde week. Een lief beest en ik noemde haar Lucy. In die tijd vernoemden ik mijn huisdieren naar verloren liefdes. Lucy was een meisje uit mijn klas. Kort blond haar en een slank, jongensachtig figuurtje. In een portiek in de 2de Boerhavestraat begonnen we aan een wankele relatie. Lucy was beeldschoon en tegen de tijd dat ik er achter kwam dat ik tot over mijn oren verliefd op haar was, maakte zij het uit.
De tweede hond was een dochter van Lucy. Het was een klein bijna zwart beestje. Het enige dat aan haar moeder deed denken was de terriërachtige sik. Haar aanhankelijkheid was mogelijk groter dan die van haar moeder. Ik noemde haar naar mijn tweede dramatische verlopen liefde, Jitka. Jitka kwam uit Tsjecho-Slowakije. De relatie is nooit veel verder gekomen dan wat gehannes in een parkje. Ze moest weer terug naar Tsjecho-Slowakije. Mij in verbijstering en diepe wanhoop achterlatend. Na een periode van theatrale en diepe rouw bleef nu slechts een ding over. Een hond. Ik zou vanaf nu alleen en eenzaam mijn pad vervolgen en daar hoorde een hond bij. Een hond heeft verschillende voordelen. Een hond breekt je hart niet en is goedkoper in onderhoud dan een vrouwspersoon. Minder veeleisend. Je kunt praten tegen een hond tot je een ons weegt, het beest praat niet terug. Een hond kwispelt alleen met zijn of haar staart. Maar er staan wel wat verplichtingen tegenover. Het uitlaten bijvoorbeeld. Als je op een koude winterochtend net wakker bent en eruit moet omdat de hond op knappen staat.
Of de hondenbelasting. Ook zoiets. Zolang ik honden had, heb ik overijverige belastingambtenaren achter me aan gehad. Een voormalig collega van me had drie kleine hondjes. Zo genoemde kuttelikkertjes. Zij vond het vooral onrechtvaardig dat bijvoorbeeld een Deense dog net zoveel belasting moet betalen als haar dwerg Pekinees. Daar had ze een punt. De Pekinees doet een jaar over wat de Dog op een dag uitpoept. Misschien dat ze honden kunnen uitrusten met een chip. Net zoals bij de vuilcontainers. Een poepchip om de hoeveelheid ontlasting te meten. Van tijd tot tijd boert ook het bericht op dat de gemeente Leeuwarden, kattenbelasting gaat heffen. 

Dat was ook iets wat mijn collega van de kuttelikkertjes onrechtvaardig vond. Over een poes wordt geen belasting geheven. Nu moet ik altijd lachen om dit soort berichten. Mijn pluisgenoot is meer buiten dan binnen. Net als de katten van de buren. Hoe zou de belastingambtenaar dat willen controleren. Kattenbakken zoeken? Katten blaffen ook niet als de kattenbakkencontroleur aanbelt. Gelukkig niet.
     





zondag 11 september 2016

De afgevroren teen van Blije

Omdat ik vernomen had dat de lokale kroeg in Blije een potje met een afgevroren teen op sterk water zou hebben, leek het me de moeite waard het dorp met een bezoek te vereren. De teen was afgevroren tijdens de Elfstedentocht van 1963. Een historische teen dus. Reden dus om via de Ee naar Birdaard te fietsen en vandaar naar Blije. Mooie tocht. Wel een heel end. Vooral omdat ik voornemens had na het bezoek aan de horecagelegenheid de tocht voort te zetten richting het Bildt. In de kroeg was niemand. Maar het was al een klein wonder dat hij open was. Het bleek een authentiek Friese kroeg. Zoals je niet veel meer ziet. Er was geen bar en geen barkrukken, maar in een hoek stond een tafeltje met daarop de bierpomp. Onder het tafeltje stond het vat. Aan de muur hingen wat planken met flessen sterke drank. Geen teen. Na even om me heen te hebben gekeken, kwam de barman binnen. Schonk zonder iets te vragen een groot glas bier voor me in. Voorzichtig informeerde ik naar de teen. Het was tenslotte het doel van mijn fietstocht. De barman antwoordde niet en keek peinzend naar de knop van de bierpomp. Na geruime tijd stilte haalde hij een potje uit een kast en hield het voor mijn neus. “It is de tean fan Syb Kluifstra”, zei hij somber. In het potje zat een gelige, troebele vloeistof. Met enige moeite kon ik een donker hompje zien drijven met iets wat op een teennagel leek. Ik mocht er geen foto van maken. “As it Alvestêdetocht museum der efter komt, gean hja der om seure”, legde de barman uit. Snel borg hij de macabere relikwie weer op. Maar mijn fietstocht was niet voor niets geweest, alhoewel ik geen foto had.
“Ik ha ek in sok fan Reinier Paping”, ging de barman verder. ”. Ik begreep dat ik op het spoor was van een belangrijke historische ontdekking. Zou geweldig zijn als ik een foto van de sok van Reinier Paping kon maken. Maar het Elfstedentocht museum zou wel weer dwars liggen. Om de sok te zien mocht ik in de huiskamer achter het café. Er zat een stok oud wijfie iets te doen dat op breien leek. De huiskamer rook of als er drie eeuwen spruitjes waren gekookt. Uit een la van een kast haalde de barman een doos waar hij een grote geitenwollen sok uit haalde. Rafelig en met minstens drie knollen van gaten. “Út 1963", zei hij eerbiedig of hij het 8ste wereld wonder in zijn hand hield. “Ik ha ek de krante dy Paping yn syn klean drûch”. Ik stond perplext een dergelijke historische verzameling was meer dan ik had verwacht. In 1963 was er nog geen sprake van thermische schaatspakken of isolerend ondergoed. Schaatsers stopten daarom kranten onder hun kleding. Paping moet in 1963 in ieder geval goed in de kranten gezeten hebben want de barman haalde een forse stapel vergeelde en verfrommelde Leeuwarder Couranten uit een kast. Triomfantelijk wees hij op de datum. 16 januari 1963. Twee dagen voor de barre tocht.
Uiteraard mocht ik weer niet fotografen. Maar de barman was zeer vereerd en blij met mijn belangstelling. Ik mocht een afgescheurd hoekje van een van de kranten hebben. Ook voor de pils hoefde ik niet te betalen. Ook gaf hij me het adres van ene Braaksma uit Wierum. Braaksma zou ondergoed van verschillende schaatsers hebben en mogelijk ook een teen in een potje. Maar dat was wat uit de buurt en ik besloot een andere keer naar Wierum te fietsen. Dol gelukkig met mijn aanwinst fietste ik naar huis. Misschien kon ik er een goede prijs voor krijgen op de internetveiling. Maar dan had je een certificaat van echtheid nodig. Dan moest ik de handtekening van Reinier Paping hebben. Het zelfde probleem had ik met het plankje van het oorspronkelijke wereldberoemde brugje bij Bartlehiem. Het betreft een plankje die ik ooit meegenomen heb toen het brugje werd gerestaureerd. Maar dat neemt niet weg dat het een uniek stuk is, dat alleen maar unieker wordt, want een Elfstedentocht valt niet te verwachten. Palmbomen aan de oevers van de Ee zijn waarschijnlijker. Eenmaal thuis borg ik het oude stukje krant zorgvuldig op. Als ik nu nog een stukje van de onderbroek uit Wierum kon krijgen of mogelijk zelfs een afgevroren teen, dan begin ik een Elfstedentocht museum.

zaterdag 13 augustus 2016

Nog even over breien

Vorige winter kreeg van een vriendin een zelf gebreide das. De das was met grote houten breinaalden gemaakt van felgekleurde wol. Ik deed of ik er erg blij mee was, maar stopte het schreeuwerige cadeau toen ik thuis was, diep weg in een kast. De neiging om het ding weg te gooien wist ik maar net te onderdrukken. Niet zo zeer vanwege de felle kleuren maar omdat ik vanaf mijn vroegste jeugd slechte ervaringen heb met bepaalde vormen van handnijverheid. Met name het breien. In de familie waar ik uit kom werd bijna door de meeste vrouwelijke leden enthousiast gebreid. Er werden breipatronen en ideeën uitgewisseld en overgebleven bollen wol geruild. Omdat al deze huisvlijt een product moest opleveren, lag een wollen trui voor mijn persoon voor de hand. Ik was nog niet zo groot en de winters waren nog winters. Meerdere dikke truien waren noodzakelijk. Dat stond vast.
Ook producten als mutsen, handschoen, sokken en dassen werden volop vervaardigd. Mijn jongensgarderobe bestond voornamelijk uit wollen kledingstukken van uiteenlopende aard. Ik liep rond als een zuurstok. Zelfs mijn sokken waren in de toen gangbare motieven en kleuren gebreid. Kabelmotieven en vooral Noorse en Scandinavische motieven waren populair. Een gebreide trui heeft een voorpand en een achterpand. Deze moesten gepast worden. Hierbij deed ik uiteraard dienst als paspop. Erger was het als een van de panden niet beviel of als er een fout ingeslopen was. De trui moest dan uitgenomen worden. Weer terug gebracht worden tot de bol. Zogezegd. Ik moest dan met mijn armen vooruit gaan zitten terwijl mijn moeder de draad er omheen wikkelde. Ik zie het nog voor me. Op mijn klachten dat de truien jeukte werd geen gehoor gegeven. Eigenlijk wilde ik liever een zwarte koltrui  Deze waren populair. Maar de breiwoede had de hele familie in zijn greep.
Er werd gebreid tot de stukken er af vlogen. Gelukkig was ik niet de enige die vanonder tot boven vol met de Scandinavische motieven rond liep. Een tante was gespecialiseerd in de Schotse ruit. Haar kinderen waren geheel geblokt. Een ander breide weer alleen kabelsteken en schipperstruien. Het vervelende was dat al die tantes kennelijk in de veronderstelling verkeerden dat ik een gebrek aan lekkere warme truien had. Terwijl mijn klerenkast er uit zag als een Noorse kledingwinkel. Ook werd er gehaakt. Vooral pannenlappen. En ook borduren was populair. Overal in huis verschenen kussentjes met een geborduurde afbeelding. Meestal iets met bloemen. Ook op tafelkleden verschenen borduursels. Een buurvrouw begon spontaan de Nachtwacht op een tafelkleed te borduren. Of het ding ooit afgekomen weet ik niet. Misschien leuk voor het Fries Museum. Een borduurwerkjestentoonstelling.

dinsdag 28 juni 2016

Culturele Breistad van Europa 2018

Soms vraag ik me wel eens af of Leeuwarden wel zo geschikt is om de Culturele Hoofdstad van Europa in 2018 te worden. Nu is cultuur een breed begrip. Maar ik kan me nog steeds goed herinneren dat Leeuwarden in een herenakkoord met Groningen het Frysk Orkest en twee hogescholen op kunst gebied inruilde voor Het Agrarisch 'van Hall instituut'. Kunst werd de stad uitgegooid. Koeien waren belangrijker. Terecht, misschien? Maar het blijft een merkwaardige keuze. En dan nu doen of we zo ontzettend cultureel zijn is gezien de geschiedenis een beetje misplaatst. Voor de gemiddelde Fries is de hoogst denkbare culturele uiting, de jaarlijkse dorpskermis. Het geringe gevoel voor cultuur wordt het meest zichtbaar in het nieuwe Fries Museum. 
Het cultureel erfgoed in gruwelijke nieuwbouw. De Hindelooper stijlkamers in een blok beton. Het diepe wantrouwen dat ik al had, gezien de inrichting van het oude Fries Museum werd bewaarheid. Het oude museum had nog iets authentieks. Zo kan ik me herinneren dat ik bij een bezoek plotseling in de fietsenstalling stond. Een mede museumbezoeker stond geïnteresseerd naar de tweewielers te kijken, al betrof het waardevolle museumstukken. Ook de schoonmaakkast heb ik van binnen gezien. Die stond open. Aan weerskanten hing een portret van een Friese stadhouder. Er staken een paar bezems met dweil tussen uit. Het was net pop-art. Het had een bepaalde charme die ik mis in de nieuwbouw. Nu zou je denken dat het Fries Museum handig inspeelt op het Culturele Hoofdstad van Europa 2018. We weten al jaren dat het zwaard van Grutte Pier en de onderbroek van Mata Hari weinig of geen toeristen trekt. Reden genoeg om je blik eens Europees te verleggen. Niets van dat. Het Fries Museum opent een tentoonstelling over breien. Met ja ja, let op, internationale breikunstenaars en Frieslands opper breister Claudy Jongstra, compleet met een hoekje voor breiende plattelandsvrouwen. De breipatronen zijn te downloaden via de website. 


De tentoonstelling loopt goed. Busladingen plattelandsvrouwen worden af en aangevoerd. Inkomsten voor de stad. Iedere plattelandsvrouw drinkt wel een of twee kopjes koffie en koopt een gebreide Oldehove. Dat tikt aan. Dus ik moet niet zeuren. Wat zal het mij ook een worst wezen. Al zit koning Willem er te breien. Mij zul je niet horen zeggen dat breien geen kunstvorm is. Ook al zit het niet in het vakkenpakket van de gemiddelde kunstacademie. Misschien de brei-academie voor Hoger Brei Onderwijs. Maar de weigering van het museum om een overzichtstentoonstelling voor de 95 jarige landschap schilder Jentje Popma te organiseren is me in het verkeerde keelgat geschoten. Het argument was dat Popma geen internationale bekendheid geniet. Er vallen dus geen overvolle bussen met Japanners, Duitsers of Amerikanen te verwachten. Bovendien kan de man niet breien. Breiend gaan we op naar het culturele hoofdstad jaar 2018. De klapper in het Fries museum dat jaar zijn de tentoonstellingen van internationaal bekende mandvlechtkunstenares Saskia Stopnaald en kantkloskunstenaar Kees Klosma. Kees geeft kantklosworkshops in New York en Parijs. Je moet als Fries kunstenaar dus internationale bekendheid hebben om in het Fries Museum te hangen. Of erg goed kunnen breien. Beter nog is dat de kunstenaar dood is. Dat is handiger voor het museum. Aan een levende kunstenaar heb je net niks. Lopen alleen maar in de weg. Gaan lopen klieren met de bustehouder van Mata Hari. Is veel te levendig. Morgen ga ik even kijken in het plattelandsvrouwen breihoekje van het museum om in een plattelandsvrouw te knijpen. Kijken of ze nog leeft.